Persoonlijke ontwikkeling

Dr. Albert Jannes Buisman (1939)
Pedagoog, oud hoofddocent sportpedagogiek
aan de Universiteit te Utrecht

Toen ik als onderwijzer in het basis- en speciaal onderwijs bemerkte, dat ik weinig geleerd had over de leefwereld van kinderen, stond voor mij de keuze vast om in Ut recht klinische pedagogiek te gaan studeren. Dààr leerde je, zo werd gezegd, onbevangen naar een kind te kijken maar tegelijk ook vanuit een hulpvraag. Je probeerde dus niet vanuit één bepaalde theorie een beeld te krijgen van dat kind.
Hoewel ik later, na een zesjarige opleiding gevolg te hebben(als werkstudent) niet in een klinische adviespraktijk terecht kwam, ben ik heel dankbaar voor alles wat ik daar in die opleiding geleerd heb: goed naar (individuele) kinderen kijken, proberen hen ook in hun belevingswereld te begrijpen. Trouwens evenzeer naar mezelf te kijken en te begrijpen welk beeld ik zelf van kinderen had.

Daar vormde zich ook een beeld van opvoeding en hoe ik daarin behulpzaam kon zijn: respect voor de uniciteit van het kind, dat iemand wil worden en respect voor de wederkerigheid in de relatie opvoeder - kind. Opvoeders hebben niet alleen het monopolie in de opvoeding, dat heeft het kind evenzeer. Die wederzijdsheid in de relatie is er al als het kind in de wieg ligt en bereikbaar is voor communicatie. Dat wacht dus niet tot het kind talig wordt, met woorden begrijpt en verstaat. Opvoeding is voor het kind ook inclusie, gewenst zijn, er bij horen en je daar ook veilig voelen en vertrouwd omdat in opvoeding haar belangen behartigd worden en niet die van anderen.

Dat beeld was er voor mij niet meteen, het heeft zich met horten en stoten ontwikkeld. Ik werd daarbij geholpen door mijn vrouw en onze vier kinderen, die zich in dat proces duidelijk hebben laten horen en zien. Dat beeld van opvoeding staat ook niet vast, het verandert door omstandigheden en door nieuwe inzichten. Die beeldvorming fungeert wel als referentiekader, van waaruit situaties beoordeeld en bekeken kunnen worden met betrekking tot het bieden van hulp.
Meteen na mijn afstuderen in 1970 kreeg ik een aanstelling bij de afdeling Theoretische Pedagogiek bij de Universiteit waar ik gestudeerd had. Dat lag gezien mijn vooropleiding niet voor de hand maar ik kreeg de opdracht les te geven in het vak Pedagogiek als praktische wetenschap. Ik had voldoende kennis opgedaan in pedagogische velden als onderwijs, kinderbescherming, klinische adviespraktijk en later ook jeugdsport om daar de praktische intentie van de pedagogiek, behoorlijk concreet te kunnen verduidelijken en te verbinden aan theorie.
In de gehele periode waarop ik aan de universiteit werkte (tot 2007), kreeg ik de kans om in onderzoek en begeleiding van innovatieprojecten te werken vanuit het koncept van pedagogiek als praktische handelingswetenschap ten bate van de praktijk.
Die projecten waren zeer divers, lagen aanvankelijk vooral op het terrein van onderwijs maar spitste in de tweede helft van mijn carrière zich steeds meer toe op de sportpedagogiek, een terrein waarvan ik vond en nog steeds vind, dat het door de Pedagogiek in Nederland behoorlijk verwaarloosd wordt.